Jaarverslag Libellengroep 2014

Vlinders Eemland

Jaarverslag Libellengroep 2014

31 december 2014; Jelly Lamsma en Dick Nagelhout

 

De kern van de activiteiten lag ook dit jaar weer op de Stulp. Er werden hier nog meer soorten geteld dan voorgaande twee jaren, in totaal 27. Bijzonder was dat dit jaar twee gevlekte witsnuitlibellen werden gezien. Daarnaast troffen we net als in 2012 een koraaljuffer aan. Ook hebben we weer meer venwitsnuitlibellen dan vorig jaar gezien. Bij het Gentianenven op De Stulp zagen we vier zeldzame tengere grasjuffers. Verder waren er meer soorten en aantallen pantserjuffers. Bij De Wiek inventariseerden we onder andere 15 tengere grasjuffers en een zwervende pantserjuffer. In het 1000-bomenbos in de Lange Duinen kwamen bij een klein plasje alle vijf soorten pantserjuffers voor. Aan de oostkant van Soest vonden we ter hoogte van de Amersfoortse waterzuivering nog zo’n 20 soorten libellen.

 

Inventarisaties

 

De Libellengroep is onderdeel van de Vlinderwerkgroep. Meestal wordt apart geïnventariseerd van de rest van de Vlindergroep. Vlinders die we zien worden wel meegenomen en andersom worden bij de inventarisaties van de Vlinderwerkgroep ook de libellen geteld. Zo ontstaat een redelijk volledig beeld van de vlinders en libellen in een groot deel van Eemland.

 

Gevlekte witsnuitlibel man (foto Dick Nagelhout)

 

Soorten en aantallen die we zien hangen uiteraard af van de aanwezigheid van een soort en van het seizoen, oftewel, zijn ze er, nu? Maar het aantal ogen dat rond speurt, de frequentie waarmee geteld wordt en de weersgesteldheid op het moment van inventarisatie (temperatuur, bewolking, windkracht) spelen ook een rol. Ook dit seizoen zijn we als Libellengroep weer vaak op De Stulp geweest. Daarnaast een kleiner aantal keren in het Nonnenland en op De Wiek. De Vlinderwerkgroep als geheel bezoekt verder regelmatig het Monnikenbos, De Stompert, een deel van de Vliegbasis Soesterberg, De Paltz, het Soesterveen en incidenteel Op Hees.

 

De Stulp, Nonnenland en Boswachterij de Lage Vuursche

 

De Libellengroep heeft op De Stulp in 2014 wat vaker gemonitord dan in 2013 (zie tabel). Door de zachte winter en het mooie voorjaar werden we steeds weer verrast door het vroege verschijnen van de libellen. De mooie nazomer zorgde er voor dat we ook dit jaar weer lang van de libellen konden genieten. In 2014 troffen we op De Stulp 27 soorten libellen aan, aanzienlijk meer dan voorgaande twee jaren. De aantallen zijn iets hoger dan vorige jaren. Bij aantallen moet bedacht worden dat een individu soms meerdere malen geteld kan worden!

 

Libellen op de Stulp gezien door Libellengroep en Vlinderwerkgroep

 

Jaar

Aantal Routes

Aantal libellen

Aantal soorten

2012

22

2370

22

2013

18

2700

22

2014

24

2840

27

Jonge tengere grasjuffer vrouw (foto Dick Nagelhout)

 

De Stulp wordt voor het inventariseren vaak onderverdeeld in het Pluismeer en de Stulpheide. Bij het Pluismeer zagen we 22 soorten en op de Stulpheide 24 soorten. Bij de Stulpheide zijn vooral het Gentianenven en het Biezenven hotspots. Hoewel de afstand tussen Pluismeer en Gentianenven nog geen km is, zijn er toch verschillen in populaties. Noordse, ven- en gevlekte witsnuitlibel (de laatste twee staan als kwetsbaar op de Rode Lijst!) komen bij het Pluismeer niet voor. Ook zien we er vrijwel geen zwarte heidelibellen en tengere pantserjuffers. Bij het Pluismeer zien we altijd wel de smaragdlibel, dit jaar ook glassnijders en net als in 2012 weer een koraaljuffer. Bij het Biezenven zijn ongeveer evenveel soorten (18) te vinden als bij het Gentianenven (19). We zagen er wel veel meer bruine winterjuffers. Op ons verzoek is de directe omgeving van het Biezenven minder begraasd dan andere jaren waardoor de oevers van het ven minder beschadigd raakten en het ven minder werd bemest. De noordse witsnuitlibellen en de venwitsnuitlibellen zaten vrijwel allemaal bij het Gentianenven. Bij beide vennen vonden we een gevlekte witsnuitlibel. De populatie venwitsnuitlibellen is t.o.v. het voorgaande jaar verdubbeld (nu 44) maar ligt nog wel aanzienlijk onder het niveau van 2012.

 

Platbuik vrouw, licht gehandicapt (foto Alma Dijkgraaf)

 

Het Nonnenland is dit jaar 6 keer bezocht, deels door de Libellengroep en deels individueel. We telden er 21 soorten, waaronder een variabele waterjuffer, een soort die we op de Stulp nooit tegenkomen. Vermeldenswaard is nog dat we in Boswachterij De Lage Vuursche bij een van de vijvers een weidebeekjuffer zagen. Het totaal aantal soorten dat we inventariseerden in Baarn in de gebieden die door Staatsbosbeheer worden beheerd, kwam daarmee op 29.

 

Natuurgebieden in Soest

 

De Wiek is een nieuw natuurontwikkelingsgebied aan de westrand van Soest. Hier hebben we als Libellengroep pas vanaf half augustus (drie keer) gelopen. Toch kwamen we er in een korte periode al 17 soorten tegen waaronder 15 tengere grasjuffers en een zwervende pantserjuffer. In het voorjaar had de Vlinderwerkgroep er onder andere ook vuurjuffers gezien zodat het totaal aantal soorten op 18 komt, voor die paar bezoeken is dat een fors aantal. Via waarneming.nl konden we zien dat ook nog een tangpantserjuffer is gemeld.

 

Gewone pantserjuffer man (foto Alma Dijkgraaf)

 

Vlakbij De Wiek ligt het Soesterveen. Dit is het laatste hoogveengebiedje in Utrecht en het meest westelijk gelegen hoogveen van Nederland. Bij een beperkt aantal inventarisaties zag de Vlinderwerkgroep hier 6 soorten libellen. Vlak daarbij werden nog 8 soorten gezien.

 

De Vlinderwerkgroep inventariseert verder op regelmatige basis een aantal bos- en heidegebieden aan de zuidrand van de gemeente Soest, zoals De Paltz, een deel van de Vliegbasis Soesterberg en De Stompert. Er komen bijzondere soorten dagvlinders voor, zoals kommavlinder en geelsprietdikkopje, maar ook tientallen zeldzame nachtvlinders. Voor libellen zijn deze gebieden wat minder interessant. We zien er minder dan 10 soorten per gebied en steeds dezelfde: vooral heidelibellen, grote keizerlibellen en paardenbijters. In het Monnikenbos aan de oostkant van Soest komt een klein ven voor. Dat maakt dat we in het Monnikenbos tot 10 soorten komen waaronder de kleine roodoogjuffer, een soort die we in Baarn nog niet tegengekomen zijn.

 

De zandverstuivingen in De Soester Duinen zijn bij libellen niet erg in trek, hoewel er enkele plekken in de Lange Duinen voorkomen waarin het een groot deel van het jaar nat is. Aan de zuidrand van de Lange Duinen bevindt zich sinds eind 2008 op een voormalig bedrijfsterrein het door schoolkinderen geplante 1000-bomenbos. Hier liggen ook enkele plasjes. Deze maken het gebied zo aantrekkelijk voor libellen dat we er in 2014 17 soorten tegenkwamen. Bij één miniem plasje kwamen alle vijf soorten Nederlandse pantserjuffers voor!

 

Een heel ander gebied ligt aan de oostkant van Soest tegen de Eem. Hier zijn vorig jaar ter hoogte van de Amersfoortse waterzuivering 20 soorten geteld. We vonden er onder andere grote aantallen variabele waterjuffers, een paar weidebeekjuffers en enkele interessante soorten zoals grote en kleine roodoogjuffers en vroege glazenmakers.

 

Paardenbijter vrouw (foto Alma Dijkgraaf)

 

In Soest en Baarn zijn zo door ons 33 soorten libellen gezien. Dat is iets meer dan de helft van de in Nederland zich voortplantende soorten. In totaal hebben we ruim 4800 exemplaren geteld. In een aparte spreadsheet wordt een handzaam overzicht gegeven naar soort libel, aantal en gebied.

 

Hoe bijzonder zijn de waarnemingen?

 

De Vlinderstichting heeft geen maat voor de verschillende soorten gebieden. Wel is er een indeling in aantal soorten per libellenroute *1). Een libellenroute telt meestal zo’n 300 strekkende meters en is 5-7 meter breed. Wanneer we ‘onze’ gebieden en wijze van inventariseren corrigeren voor lengte en breedte dan kunnen we inschatten dat we voor de hoog scorende gebieden in de middencategorie vallen. Het Gentianenven en het Pluismeer zitten daarbij tegen categorie 4 aan (op een schaal van 5).

 

De Vlinderstichting heeft ook een maat voor de aantallen libellen per libellenroute. Landelijk gezien zijn er grote verschillen. Een voor IVN Eemland pikant gegeven is dat uit het overzicht van de Vlinderstichting over 2012 blijkt dat het gebied De Lieberg in Eemnes op de eerste plaats stond. Wanneer we weer corrigeren voor lengte en breedte van de route en er bovendien van uit gaan dat een ‘officiële’ libellenroute eens in de twee weken wordt gelopen, dan zouden Pluismeer en Gentianenven op de grens vallen van klasse 3 en 4, ook weer op een schaal van 1-5.

 

Grote keizerlibel eileggend (foto Dick Nagelhout)

 

Plannen

 

Afhankelijk van de beschikbare tijd zouden we ook wel eens willen kijken in Eemnes. De Wiek zouden we beter willen bestuderen. Daarnaast verdient de omgeving tussen de Boerenstreek, het Soesterveen en de Wieksloterweg meer aandacht. Ook het gebied bij de Soester Waterleiding is enkele bezoeken waard. Verder willen we de komende tijd besteden aan een artikeltje over de libellenhistorie van het Pluismeer.

 

*1) Vlinders en libellen geteld. Jaarverslag 2012. De Vlinderstichting, 2013

 

Met medewerking van Alma Dijkgraaf, Violet Middelman en Remco Vos